MPS3 - Sanfilippo Syndroom
jongen van bijna 2 jaar oud met Sanfilippo syndroom
Behandeling
Helaas is er voor kinderen of volwassenen met het Sanfilippo syndroom nog steeds geen echte behandeling. De behandeling die nu gegeven kan worden, is gericht op het zoveel mogelijk voorkomen en behandelen van complicaties. Wel wordt op diverse plekken in de wereld hard gewerkt aan de ontwikkeling van een behandeling.
Nieuwe behandelingen waaraan wordt gewerkt zijn:
1. Enzymtherapie
Bij enzymtherapie wordt het enzym dat een patiënt niet (voldoende) kan maken toegediend. Dit kan de problemen van de ziekte dan verminderen of de verdere ontwikkeling van de ziekte vertragen of stoppen.
Enzymtherapie is momenteel beschikbaar voor een aantal mucopolysaccharidosen: MPS I, II en VI. Enzymtherapie helpt bij deze ziekten tegen een aantal lichamelijke problemen, zoals een grote lever of milt en stijve gewrichten, maar helaas niet tegen de problemen die optreden door stapeling in de hersenen. Dit komt omdat in het lichaam een bloed-hersenbarrière aanwezig is. Deze bloed-hersenbarrière zorgt er onder andere voor dat de hersenen beschermd worden tegen allerlei schadelijke stoffen. Helaas kunnen enzymen die via een infuus in het bloed worden toegediend ook niet over deze barrière heen.
De belangrijkste problemen die optreden bij de ziekte van Sanfilippo, zoals de ernstige gedragsproblemen en achteruitgang van geestelijke en motorische vermogens, worden veroorzaakt door stapeling van heparansulfaat in de hersenen. Enzymtherapie voor de ziekte van Sanfilippo heeft daarom alleen zin als het enzym in de hersenen kan komen. Om enzymtherapie wel in de hersenen te laten komen worden op dit moment proeven gedaan met muizen die de ziekte van Sanfilippo hebben. Deze muizen krijgen het enzym direct in de hersenen of in de hersenkamers gespoten. Vervolgens wordt gekeken of in de hersenen van deze muizen minder stapeling van heparansulfaat optreedt en of het gedrag van de muizen verbeterd. De resultaten van deze muizenproeven zijn veelbelovend, maar het zal helaas nog jaren duren voordat bij mensen deze enzymtherapie succesvol kan worden toegediend.
Daarnaast is bij Sanfilippo type C nog sprake van een ander probleem. Het enzym wat patiënten met Sanfilippo type C missen zit namelijk in de wand van het lysosoom en niet in het lysosoom zelf. Bij Sanfilippo type C zal dus niet alleen moeten worden gezorgd dat enzym in de hersenen komt, maar ook dat dit enzym in de wand van het lysosoom komt te zitten. Het is daarom helaas heel onwaarschijnlijk dat Sanfilippo type C ooit met enzymtherapie kan worden behandeld. Sanfilippo type A, B en D zouden in de toekomst misschien wel op deze manier behandeld kunnen worden.
2. Navelstreng-stamceltransplantatie
Bij een andere mucopolysaccharidose (MPS), de ziekte MPS I (ook de ziekte van Hurler genoemd), wordt al vele jaren beenmergtransplantatie toegepast als behandeling. Met beenmergtransplantatie kan bij kinderen met de ernstigste vorm van MPS I de geestelijk achteruitgang worden voorkomen. Echter, schade die al aan de hersenen aanwezig is kan niet meer worden hersteld. Het is daarom belangrijk dat beenmergtransplantatie uitgevoerd wordt voordat er onherstelbare schade aan de hersenen is opgetreden. Om dit te bereiken moet een transplantatie bij de ziekte van Hurler al heel vroeg in het leven worden uitgevoerd (meestal voor de leeftijd van ongeveer 2 jaar).
Hoe beenmergtransplantatie precies werkt is nog niet helemaal duidelijk. Bij beenmergtransplantatie worden eerst met chemotherapie cellen uit het beenmerg van de patiënt "dood gemaakt". In het beenmerg zitten stamcellen. Stamcellen zijn onvolgroeide cellen die zich nog kunnen ontwikkelen tot verschillende soorten cellen.
Als het beenmerg van de patiënt "leeg" is worden stamcellen van een donor toegediend door middel van een infuus in het bloed. Een donor is iemand anders die de ziekte niet heeft, en van wie het weefseltype (een soort van bloedgroep maar dan van beenmerg of organen) past bij de ontvanger (degene met de ziekte). Donoren kunnen soms familieleden zijn (vooral broertjes of zusjes die de ziekte niet hebben), of vrijwilligers via donor-banken. De stamcellen van de donor kunnen zich dan in het beenmerg van de ontvanger nestelen en kunnen zich daar dan ontwikkelen tot verschillende bloedcellen.
Deze cellen kunnen via het bloed in het hele lichaam, en ook in de hersenen terecht komen. Deze cellen kunnen het enzym maken dat de patiënt mist. Het enzym wordt door deze cellen, die dus afkomstig zijn van de donor, uitgescheiden naar de omgeving. Cellen van de patiënt die daar vlak bij zitten (en het enzym dus zelf niet kunnen maken), kunnen dit enzym dan opnemen. Het enzym van de donor kan vervolgens de stof afbreken die bij de patiënt opstapelt. Bij de ziekte van Sanfilippo is in het verleden ook geprobeerd om patiënten te behandelen met beenmergtransplantatie, maar dit bleek helaas helemaal niet te werken. Waarom beenmergtransplantatie niet werkt bij de ziekte van Sanfilippo wordt niet goed begrepen.
stamcellen uit navelstrengbloed
Sinds enkele jaren is worden bij MPS I patiënten ook navelstreng-stamceltransplantaties uitgevoerd. De procedure is hierbij hetzelfde als bij een "gewone beenmergtransplantatie". In plaats van beenmerg van een donor krijgen patiënten hier echter cellen die uit navelstrengbloed van een donor zijn gehaald toegediend. Ook in navelstrengbloed zitten stamcellen. Deze stamcellen lijken misschien beter te werken dan de stamcellen uit beenmerg.
De universiteit van Duke in Amerika is een aantal jaren geleden begonnen met navelstreng-stamceltransplantatie bij kinderen met de ziekte van Sanfilippo. Dit is experimenteel, dat wil zeggen: het is helemaal niet bewezen dat het werkt! De universiteit van Duke heeft ook nog niet de resultaten van deze transplantaties laten zien.
Het is in ieder geval noodzakelijk dat deze navelstreng-stamceltransplantatie gedaan wordt voordat het kind met de ziekte van Sanfilippo duidelijk schade heeft aan de hersenen. Dat wil zeggen dat een dergelijke transplantatie meestal al vóór de leeftijd van ongeveer 3 jaar moet worden uitgevoerd. Dit is dan voordat er sprake is van duidelijke gedragsproblemen of een stilstand of achteruitgang van de ontwikkeling. Bijna alle patiënten met de ziekte van Sanfilippo worden echter pas gediagnosticeerd als er al sprake is van schade aan de hersenen.
In 2007 is in Nederland, na uitgebreid overleg tussen betrokken artsen, besloten dat de mogelijkheid tot navelstreng-stamceltransplantatie kán worden besproken met de ouders van kinderen met Sanfilippo indien het kind nog géén aantoonbare schade aan de hersenen heeft. Dit zullen kinderen zijn waarbij de diagnose zeer vroeg gesteld is (bijvoorbeeld "bij toeval" of omdat de ziekte bij een ouder broertje of zusje werd vastgesteld). Verder is het heel belangrijk dat de ouders ook goed worden voorgelicht over de risico’s van een navelstreng-stamceltransplantatie. Deze behandeling is namelijk heel zwaar en kinderen kunnen zelfs overlijden aan de gevolgen van de behandeling. Verder is het noodzakelijk dat ouders weten dat het op dit moment helemaal nog niet zeker is of navelstreng-stamceltransplantatie wel werkt bij de ziekte van Sanfilippo!
Overigens geldt ook voor navelstreng-stamceltransplantatie dat dit voor type C zeer waarschijnlijk helemaal niet kan werken vanwege de bijzondere plaats van het enzym (dat bij type C ontbreekt) in de wand van het lysosoom in plaats van in de inhoud van het lysosoom (zie ook onder "enzymtherapie" hierboven).
3. Substraat deprivatietherapie
Lysosomale stapelingsziekten worden veroorzaakt door ophoping (stapeling) van een stof die niet kan worden afgebroken. Bij substaat deprivatietherapie wordt geprobeerd de aanmaak van de ophopende stof (substaat) te verminderen.
Sanfilippo syndroom wordt veroorzaakt door stapeling van heparansulfaat. Heparansulfaat wordt in het lichaam zelf gemaakt en met substraat deprivatietherapie kan worden geprobeerd deze aanmaak te verminderen. Er zal dan minder heparansulfaat opstapelen, waardoor de problemen van de ziekte deels voorkomen zouden kunnen worden.
Stoffen die worden gebruikt voor substraat deprivatietherapie zijn kleine stoffen die de bloed-hersenbarrière kunnen passeren en dus ook kunnen helpen tegen de problemen die de ziekte in de hersenen veroorzaakt. Momenteel zijn er 2 stoffen ontdekt die mogelijk de aanmaak van heparansulfaat kunnen remmen. Dit zijn Rhodamine B, een kleurstof uit verf en lippenstift, en Genesteine, een stof uit sojabonen. Deze stoffen lijken in het laboratorium de stapeling van heparansulfaat te kunnen remmen in gekweekte cellen van Sanfilippo patiënten. In onder andere Polen en Frankrijk wordt op dit moment onderzoek gedaan bij kleine groepen Sanfilippo patiënten om te kijken of deze stoffen bij patiënten werkzaam zijn en om te bepalen of het veilig is om deze stoffen te gebruiken. Op dit moment is dit dus nog helemaal niet zeker!
4. Gentherapie
De ziekte van Sanfilippo is een erfelijke ziekte, dat wil zeggen dat de ziekte wordt veroorzaakt door een fout in de erfelijke informatie. Door deze fout heeft een patiënt niet de goede erfelijke informatie die zorgt dat het enzym, wat een patiënt mist, kan worden gemaakt. Bij gentherapie wordt geprobeerd met behulp van een virus goede erfelijke informatie in cellen te brengen, zodat deze cellen we het enzym kunnen maken. Dit is nog een heel experimentele behandeling en het wordt momenteel alleen nog maar geprobeerd in muizen. Het zal helaas nog vele jaren duren voordat deze manier van behandelen voor mensen beschikbaar komt. Als wordt ontdekt hoe gentherapie goed en veilig kan worden toegepast zullen een heleboel ziekten die nu niet te behandelen zijn wel behandeld kunnen worden.

